Interview schrijven: kenmerken, vraagtypes en taalredactie voor sterke teksten

Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 6,13 KB

Les 8 — Interview

Kennmerken interviewverslagen

  • 1. Kop: Prikkelende titel die past bij de inhoud. Mag stijlmiddelen bevatten → woordspeling, alliteratie, assonantie, paradox, beeldspraak, variatie op een bekende uitdrukking.
  • 2. Inleiding: Trekt aandacht via citaat, stelling, sfeertekening … Verklapt niet de hele inhoud → geeft enkel een tipje van de sluier. Eindigt met een uitsmijter of een vraag.
  • 3. Lead (openingsalinea): Bevat: beschrijving, verwijzing naar actualiteit, citaat, interessante vraag, terugblik, anekdote, cijfers
  • 4. Slotalinea: Sterke afsluiter: terugkoppeling naar de titel, gevatte uitspraak of uitsmijter.
  • 5. Quote: Een citaat dat nieuwsgierig maakt. Kan zorgen voor: humor, controverse, bekentenis, paradox. Doel → de lezer wil verder lezen.
  • 6. Tussentitels: Zorgen voor adempauze. Bestaan uit 1 of 2 korte woorden. Geven sfeer of inhoud van het volgende tekstdeel aan.

Interviewstijlen

  • Directieve interviewstijl: de interviewer stuurt sterk; stelt gerichte, gesloten vragen en geeft weinig vrijheid aan de geïnterviewde.
  • Non-directieve interviewstijl: de geïnterviewde krijgt veel ruimte; de interviewer stelt open vragen en gebruikt doorvragen bij een te kort, vaag, onpersoonlijk of politiek correct antwoord.

Vraagsoorten

1. Gesloten vragen

  • ja-nee-vraag → Eet je graag spaghetti?
  • of-of-vraag → Film of theater?
  • suggestieve vraag → Je vindt toch ook wel dat…?
  • feitenvraag → Hoe laat is het ongeval gebeurd?

2. Open vragen

  • als-vraag → Als dit opnieuw gebeurt, wat dan?
  • confrontatievraag → Je zegt X, maar je doet Y…
  • opinievraag → Welke muziek vind je leuk?
  • intentie-vraag → Wat wil je bereiken?
  • motivatievraag → Waarom wil je bij ons werken?
  • begripsvraag → Wat weet je over slowfood?
  • visievraag → Hoe zie jij de toekomst van de EU?
  • plus-minvraag → Wat zijn je sterke en zwakke punten?
  • emotievraag → Hoe voel je je hierbij?

DEEL 2 – Taalredactie

1. Naamwoordstijl

Naamwoordstijl = te veel zelfstandige naamwoorden gebruiken waar een werkwoord beter is. Maakt de tekst afstandelijk en zwaar. Komt voor bij:

  • werkwoordstammen als naamwoord (het gebruik, het herstel)
  • afleidingen (de rapportage, de verbeteringen)
  • infinitieven als naamwoord (het beslissen, het aanvragen)

Gebruik liever werkwoorden voor een vlotte, directe stijl.

Voorbeeld: fout: Het terugsturen van de documenten dient vóór 1 januari te geschieden.
goed: Je moet de documenten vóór 1 januari terugsturen.

2. Passieve constructies

Passieve constructies = overmatig gebruik van passieve zinnen (er wordt…, het wordt…). Maakt de tekst vaag en onduidelijk → onduidelijk wie iets doet. → Actieve zinnen zijn duidelijker voor de lezer.

Voorbeeld: fout: Er wordt door de organisatie beslist dat de prijs wordt verhoogd.
goed: De organisatie beslist dat de prijs stijgt.

3. Taalintensivering

Taalintensiveerders = woorden of elementen die een boodschap versterken (positief of negatief). Je intensifieert met:

  • bijvoeglijke naamwoorden: fantastische ervaring
  • bijwoorden: ontzettend mooi, super snel
  • voorvoegsels: piepklein, oersterk
  • samenstellingen: poedelnaakt, beresterk
  • beeldspraak: heet als lava, glimmend als een spiegel
  • leestekens & emoji’s: Geweldig!!!

Voorbeeld: piepklein kabouterkamertje, peperduur, zeer goed, super verlof.

4. Intensiverende woorden herkennen

Intensiverende bijvoeglijke naamwoorden in beoordelingen: afgrijselijk stinkend water, harige bedden, plakkerige vloeren, gammele stoelen, afschuwelijk zure lucht, piepkleine kamer. → Bijvoeglijke naamwoorden versterken het zelfstandig naamwoord. → Bijwoorden versterken een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord.

5. Zelf taalintensiveerders toevoegen

Je maakt neutrale zinnen sterker door adjectieven, bijwoorden, beeldspraak enz. toe te voegen.

Voorbeeld: neutraal: Het bedlinnen is wit en heeft een geur.
versterkt: Het bedlinnen is spierwit en ruikt heerlijk fris.

6. Latijnse uitdrukkingen ad hoc

Latijnse uitdrukkingen die je ad hoc kunt gebruiken:

  • ad valvas = op het mededelingenbord
  • pro Deo = gratis
  • ad rem = raak, ter zake
  • in spe = toekomstig
  • in casu = in dit geval
  • contradictio in terminis = innerlijke tegenspraak
  • stante pede = op staande voet
  • cum laude = met onderscheiding
  • in memoriam = ter nagedachtenis
  • in dubio = in twijfel
  • a priori = van tevoren

Entradas relacionadas: