Verwantschap, Evolutie en Redactie van de Nederlandse Taal
Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias
Escrito el en
neerlandés con un tamaño de 14,97 KB
Les 2: Broers en Zussen in de Taalfamilie
Taalverwantschap en Oertalen
Taalverwantschap
Talen lijken op elkaar door erfwoorden (centrale, alledaagse woordenschat). Erfwoorden tonen regelmatige klankovereenkomsten → bewijs van taalverwantschap.
Proto-Indo-Europees (PIE)
Oertaal ± 6000 jaar geleden, nooit opgeschreven, volledig gereconstrueerd via vergelijking van talen. Klankwetten tonen hoe woorden veranderden. De naam is misleidend (proto, Indo, Europees is eigenlijk te beperkt).
PIE-stamboom
De Indo-Europese familie omvat:
- Germaanse talen:
- West-Germaans: Nederlands, Afrikaans, Engels, Duits en Fries.
- Noord-Germaans: Zweeds, Deens, Noors, IJslands.
- Romaanse talen (afstammend van Latijn): Frans, Spaans, Italiaans, Portugees, Catalaans, Roemeens.
Talen die tot eenzelfde taalfamilie behoren, vertonen heel wat gelijkenissen op het vlak van woordenschat, vorm, klank en zinsbouw.
Afrikaans is ontstaan uit vooral Zuid-Hollandse dialecten die vanuit Nederland vanaf 1652 naar de toenmalige Kaapkolonie werden geëxporteerd. Het Afrikaans is dus een dochtertaal van het Nederlands, die een heel eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt.
- Germaanse talen:
Ontstaan van het Standaardnederlands
- 1585: val van Antwerpen → Vlamingen migreren naar het Noorden → Hollands beïnvloed door Zuid-Nederlands.
- 1637: Statenbijbel → enorme stap naar standaardisering.
- ‘Diets’ = verzamelnaam voor Middelnederlandse streektalen, geen standaardtaal.
Drie domeinen van Middelnederlandse doorbraak
- Administratie → zeer succesvol (steden wilden volkstaal).
- Literatuur → groot succes (Maerlant, Veldeke …).
- Hof/adellijke kringen → weinig succes (Frans bleef domineren).
Afrikaans – Kenmerken
- Dubbele negatie: nie … nie (bv. Moe nie weggaan nie).
- Eén lidwoord: die (geen de/het).
- Werkwoorden nauwelijks vervoegd: jy is, ek is, hulle is.
- Afkapping: eindletter valt weg (bv. nie, spoke, wolke).
- Uitstoting: medeklinker in het midden valt weg (bv. hou die oop vir ons; soos vroeër brand).
- Fonologische spelling: schrijven zoals je spreekt (bv. reg, nag, lig).
Humor: Typen en Technieken
Typen Humor
Situatiehumor: Humor die ontstaat door een toevallige gebeurtenis op het moment zelf. Er gebeuren komische dingen en mensen reageren daarop grappig. Voorbeeld: iemand struikelt over een bananenschil.
Karakterhumor: Humor die voortkomt uit typische eigenschappen van een persoon, zowel verbaal als non-verbaal. Voorbeeld: de klungelige Mr. Bean die door zijn onhandigheid in problemen komt.
Taalhumor: Humor die ontstaat door grappig taalgebruik, zoals woordspelingen, dubbele betekenissen, bestaande woorden vervormen, foute vertalingen, letterverwisselingen, overdrijvingen, understatements, enz. Voorbeeld: “Leuk, al die woordgrappen, maar ik snap de Clooney.”
Technieken binnen Taalhumor
- Figuurlijke betekenis letterlijk interpreteren: Een uitdrukking die normaal niet letterlijk is, wordt letterlijk genomen.
- Meervoudige betekenis van woorden: Eén woord heeft twee betekenissen die allebei werken.
- Bestaande woorden vervormen: Een woord lijkt op het echte woord maar is expres verkeerd gemaakt.
- Spelen met etymologie: De oorspronkelijke betekenis van een woord wordt gebruikt voor humor.
- Gekke combinatie van versregels: Regels uit een lied of gedicht worden vreemd samengevoegd.
- Opzettelijk foute vertaling: Een woord of zin wordt bewust verkeerd vertaald.
- Beginletters verwisselen: Twee woorden wisselen hun eerste letters.
- Foute samentrekking: Twee woorden worden verkeerd samengevoegd.
- Overdrijving (hyperbool): Iets wordt veel te extreem voorgesteld.
- Understatement: Iets groots wordt veel te klein voorgesteld.
Humor: Context en Grenzen
Humor – wat je moet weten: Humor is contextueel: nooit helemaal goed of slecht.
Grenzen van humor:
- Wettelijk: geen geweld of negationisme.
- Ethisch: afhankelijk van spreker, doelwit, publiek, intentie, medium, situatie.
Gevolgen:
- Kan machtsverschillen bevestigen (top-down, naar beneden trappen).
- Kan machtsverschillen bekritiseren.
- Intentie ≠ effect: een grap kan anders overkomen dan bedoeld.
Conclusie: humor is niet neutraal; beoordeling altijd in context doen.
Definities gerelateerd aan Humor
- Contextueel: Afhankelijk van de situatie of omgeving.
- Meerduidig: Kan op meerdere manieren worden uitgelegd; dubbelzinnig.
- Negationisme: Ontkennen van historische feiten, zoals de Holocaust.
- Socio-politieke klimaat: De maatschappelijke en politieke omstandigheden.
- Paradoxaal: Schijnbaar tegenstrijdig, maar kan toch kloppen.
- Ambigu: Onzeker of dubbelzinnig; kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.
- Top-down: Van bovenaf; van machtige personen naar minder machtige.
- Stereotyperend: Vaststaande, vaak vereenvoudigde en foutieve voorstelling van een groep mensen.
- Karikatuur: Overdreven spotprent van een persoon of groep.
Les 5: Semantiek en Idiomatische Uitdrukkingen
Betekenisverandering en Idiomen
Betekenisverandering
Bestaande woorden kunnen van betekenis veranderen.
- Connotatieve betekenisverandering = de gevoelswaarde verandert (bv. wijf was vroeger neutraal, nu negatief).
- Denotatieve betekenisverandering = de woordenboekbetekenis verandert (bv. pen was oorspronkelijk een veer).
Als de oorspronkelijke betekenis helemaal verdwijnt, is er betekenisverschuiving. Betekenis kan ook ruimer worden = betekenisuitbreiding, of enger worden = betekenisinperking.
Idioom – uitleg
Een idioom is een vaste uitdrukking met een figuurlijke betekenis die je niet letterlijk mag nemen. De vorm mag niet veranderd worden: idiomen zijn vormvast.
Voorbeeld: een lans breken voor iemand is een idioom → je mag daar geen lansen van maken. Ik breek mijn lans is géén idioom, dus mag wel aangepast worden.
Voorbeelden idiomen (met betekenis)
- a. buiten de boot vallen = niet mogen meedoen / uitgesloten worden.
- b. de lakens uitdelen = de baas spelen / bepalen wat er gebeurt.
- c. het hek is van de dam = de controle is weg; iedereen doet maar wat.
- d. alles op een hoop gooien = geen onderscheid maken; alles samen nemen.
- e. het loodje leggen = sterven.
- f. tegen de lamp lopen = betrapt worden.
- g. het varkentje wassen = een moeilijke taak klaren.
- h. door de mand vallen = ontmaskerd worden.
Denotatie en Connotatie
- Denotatie = neutrale, objectieve, woordenboekbetekenis.
- Connotatie = gevoelswaarde van een woord, positief of negatief.
- Voorbeeld: vrouw (denotatie neutraal) – wijf (negatieve connotatie).
Eufemismen
Eufemismen zijn verzachtende woorden of formuleringen. Ze worden gebruikt omdat connotaties mensen kunnen kwetsen of te hard klinken. Voorbeelden: suïcide i.p.v. zelfmoord, inslapen i.p.v. doodgaan.
Dysfemismen
Dysfemismen zijn grove of extra negatieve woorden. Ze maken de connotatie harder. Voorbeelden: moddervet i.p.v. zwaarlijvig, kankerstok i.p.v. sigaret.
Deel 1: Taalredactie (Spelling en Woordkeus)
Veelvoorkomende Spellingverschillen (Naast Elkaar)
Let op het verschil in betekenis bij de volgende paren:
- Allesbehalve = helemaal niet / alles behalve = alles, behalve dat ene
- Hoelang = tijdsduur / hoe lang = lengte / afstand
- Even goed = gelijk niveau / evengoed = het had ook anders gekund
- Tenslotte = uiteindelijk / ten slotte = als laatste
- Ten minste = minstens / tenminste = althans
- tekort = zelfstandig naamwoord / te kort = te weinig
1. Semantisch Principe
De spelling hangt af van de betekenis; dus je moet de betekenis kennen om de juiste spelling te kiezen.
2. Spellingvaardigheden (Herkennen Juiste Vorm)
Correcte spellingen:
akoestiek, piranha, gekanoëd, Benelux-land, er naartoe zeilen, gejudood, wijkcomité, ups-and-downs, bronzenmedaillewinnaar, kipsatétje.
3. Voorzetsels Correct Gebruiken
Veel combinaties zijn vast:
- allergisch voor
- werk bestaat uit
- gevoelig voor
- geslaagd voor
- verwijzen naar
- onttrekken aan
- interesseert zich voor
- rijden met 75 km/u
- muziekcollectie bestaat uit honderden lp’s.
Andere voorzetsels zijn fout → context bepaalt altijd het juiste voorzetsel.
4. Voorzetseluitdrukkingen Vervangen (Duidelijker Taalgebruik)
Lange uitdrukkingen kunnen korter:
- met betrekking tot → over
- in verband met → over
- ten gevolge van → door
- ten behoeve van → voor
- onder invloed van → door
- naar aanleiding van → door/omdat.
Doel: helder, actief, direct taalgebruik.
5. Academische Woordenschat (Kennen en Correct Gebruiken)
- ambiëren = iets nastreven, iets graag willen bereiken.
- het artefact = een door mensen gemaakt voorwerp (vooral in wetenschap/archeologie).
- de controverse = een hevig meningsverschil dat vaak publiek gevoerd wordt.
- de deus ex machina = een plotselinge, kunstmatige oplossing die een probleem onverwacht oplost (vaak kritiekpunt in verhalen).
- dogmatisch = star vasthoudend aan regels of overtuigingen, zonder ruimte voor twijfel.
- in de bres springen = opkomen voor iemand, iemand verdedigen.
- de kakofonie = een chaotisch, onaangenaam mengsel van geluiden.
- het negationisme = het ontkennen of minimaliseren van historische feiten (bv. Holocaustontkenning).
- notoir = berucht, bekend om iets negatiefs.
- schier = bijna, nagenoeg.
Deel 2: Structuur, Stijl en Interviewtechnieken
Structuur en Stijl van Teksten
Structuur en stijl:
- Een kop is prikkelend en sfeertekenend, kan stijlmiddelen gebruiken zoals woordspeling, alliteratie, paradox of beeldspraak.
- De inleiding trekt de aandacht met citaat, stelling of sfeertekening en eindigt met korte zin of vraag, zonder hele inhoud te verklappen.
- De lead bevat beschrijving, actualiteit, citaat, vraag, terugblik, anekdote of cijfers.
- Slotalinea zorgt voor goede afsluiter: terugkoppeling naar titel of gevatte uitspraak.
- Quote is een citaat dat nieuwsgierig maakt, kan humoristisch, controversieel, bekentenis of paradox zijn.
- Tussentitels creëren adempauze en bestaan uit 1 à 2 woorden over inhoud of sfeer.
Interviewstijlen
DEEL 2 – Interviewstijlen:
- Directief: gerichte, gesloten vragen, beperkte vrijheid.
- Non-directief: stimuleert geïnterviewde met open vragen; doorvragen nodig bij korte, vage of politiek correcte antwoorden.
Voorbeelden van Open Vragen
Voorbeelden van open vragen:
- Als-vragen: “Als we nog meer leden verliezen, wat gaan we dan doen?”
- Confrontatievragen: “Je zegt dat je altijd op tijd komt, maar vorige maand was je toch vijf keer te laat?”
- Opinievragen: “Welke muziek vind je leuk?”
- Intentievragen: “Wat wil je bereiken met je transfer naar Antwerp?”
- Motivatievragen: “Waarom wil je bij ons komen werken?”
- Begripsvragen: “Wat weet je over slowfood?”
- Visievragen: “Hoe zie jij de toekomst van de Europese Unie?”
- Plus-minvragen: “Wat zijn de sterke en zwakke punten van het nieuwe plan?”
- Emotievragen: “Hoe voel je je bij deze politieke ontwikkelingen?”
Voorbeelden van Gesloten Vragen (Niet-Open)
Ja-neevragen: “Eet je graag spaghetti?”
Of/of-vragen: “Ga je liever naar de film of naar het theater?”
Suggestieve vragen: “Je vindt toch ook wel dat het zo niet verder kan?”
Feitenvragen: “Hoe laat is het ongeval gebeurd?”