Essentiële Begrippen voor Fysische Geografie en Klimaat

Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 4,69 KB

Geologische Begrippen

  • Anticline: plooirug
  • Syncline: plooidal
  • Breuk: deel gaat omlaag, deel gaat omhoog
  • Lithosfeer: harde buitenlaag van de aarde
  • Asthenosfeer: zachtere laag onder de lithosfeer
  • Mantel: magma stijgt op
  • Mantelpluim: opstijgende stroom heet mantelmateriaal
  • Hypocentrum: plaats in de aarde waar een aardbeving ontstaat
  • Epicentrum: punt aan het aardoppervlak boven het hypocentrum
  • Seismograaf: toestel dat aardbevingen meet
  • Tsunami: grote golf na een aardbeving onder water
  • Schildvulkaan: brede vulkaan met rustige uitbarsting
  • Stratovulkaan: steile vulkaan met explosieve uitbarstingen
  • Isostasie: evenwicht van de aardkorst op de mantel

Platentektoniek en Gebergtevorming

Platentektoniek

  • Opbouwende plaatrand: platen bewegen uit elkaar; nieuwe korst ontstaat.
  • Afbrekende plaatrand: platen bewegen naar elkaar toe; gebergten, vulkanen en aardbevingen ontstaan.
  • Transforme plaatrand: platen schuiven langs elkaar.

Gebergtevorming

  • Botsing van twee continentale platen.
  • Sedimentlagen worden geplooid.
  • Voorbeeld: Himalaya.

Zeebodemspreiding

  • Nieuwe oceaanbodem ontstaat aan oceanische ruggen.

Vulkanisme en Aardbevingen

Vulkanisme

  • Magma: vloeibaar gesteente onder de grond.
  • Lava: magma aan het aardoppervlak.
  • Vulkanische materialen:
    • Lava
    • As
    • Bommen

Aardbevingen

  • Ontstaan wanneer spanning in gesteenten vrijkomt.
  • Sterk geconcentreerd aan plaatranden.
  • Onderzeese aardbevingen kunnen tsunami's veroorzaken.

Meteorologie en Weersystemen

Weerkaart

  • Hogedrukgebied: droog en meestal mooi weer.
  • Lagedrukgebied: wolken en neerslag.
  • Wind waait van hoge naar lage druk.
  • Dichte isobaren: veel wind.
  • Ver uit elkaar liggende isobaren: weinig wind.
  • Klimaatclassificaties: Arctisch (zeer koud), Polair (koud), Tropisch (warm), Maritiem (vochtig), Continentaal (droog).

Atmosferische processen

  • Warme lucht stijgt, koude lucht daalt.
  • Koudfront: koude lucht duwt warme lucht omhoog.
  • Warmtefront: warme lucht schuift over koude lucht.
  • Convectieregen: regen door opstijgende warme lucht.
  • Stijgingsregen: regen doordat lucht tegen een gebergte opstijgt.
  • Albedo: hoeveelheid zonlicht die wordt teruggekaatst.
  • Troposfeer: laag van de atmosfeer waar het weer voorkomt.
  • Ozonlaag: atmosfeerlaag die UV-straling tegenhoudt.

Neerslag en Luchtdruk

Neerslag

  • Warme lucht kan meer waterdamp bevatten.
  • Afkoelende lucht zorgt voor condensatie.
  • Condensatie vormt wolken en neerslag.

Luchtdrukgordels

  • Rond 30° breedte: hoge druk.
  • Rond de evenaar: lage druk.
  • Rond 60° breedte: lage druk.
  • Rond de polen: hoge druk.
  • Luchtdrukgordels: Equatoriaal minimum, Subtropisch maximum, Subpolair minimum, Polair maximum.

Overige atmosferische fenomenen

  • Droge gebieden: droge zijde van een gebergte.
  • Passaten: waaien richting de evenaar.
  • Straalstroom: zeer sterke luchtstroom op grote hoogte, van west naar oost.

Temperatuurfactoren en Klimaatverandering

Factoren die temperatuur beïnvloeden

  • Breedteligging, hoogteligging, afstand tot zee, zeestromingen, oriëntatie van hellingen, tijdstip van de dag.

Zeestromen

  • Zorgen voor zachte winters, koelere zomers en kleinere temperatuurverschillen.
  • Warme zeestromen: brengen warmte naar hogere breedten.
  • Koude zeestromen: brengen koude naar lagere breedten.

Klimaatverandering

  • Gevolgen: meer hittegolven, meer droogte, meer extreme regenval, klimaatzones schuiven noordwaarts.
  • Straalstroom: kronkelt sterker, waardoor weertypes langer blijven hangen.

Entradas relacionadas: