Geografische Begrippen: Landschapsvorming, Rivieren en Geologie

Enviado por Anónimo y clasificado en Geografía

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 3,98 KB

Geografische Basisbegrippen

00-hunlijn: Haarlem, Utrecht en Nijmegen.

Stroomgebied: Het gebied rondom een rivier. De Rijn komt uit Zwitserland en neemt grind en zand mee naar Nederland.

Gebergten en Reliëf

  • Hooggebergte: Gebied dat hoger ligt dan 1500 meter.
  • Middelgebergte: Gebied op een hoogte tussen de 500 en 1500 meter.
  • Heuvelland: Gebied op een hoogte tussen de 200 en 500 meter.
  • Laagvlakte: Vlak gebied onder de 200 meter hoogte.
  • Jong gebergte: Hooggebergte dat zo’n 60 miljoen jaar geleden is ontstaan; gekenmerkt door weinig gesteente, hoge puntige toppen en steile, diepe dalen.
  • Oud gebergte: Middelgebergte of heuvelland dat honderden miljoenen jaren geleden is ontstaan; de toppen zijn afgesleten door weer en wind, zijn minder scherp en de dalen zijn minder diep.
  • Reliëf: Hoogteverschillen in het landschap.

Geologische Processen

Verwering en Erosie

  • Verwering: Het uiteenvallen van hard gesteente onder invloed van het weer en de werking van planten.
  • Mechanische verwering: Het afbrokkelen van gesteente door het weer.
  • Chemische verwering: Het reageren van gesteente met water of zuurstof (bijvoorbeeld oplossen of verkleuren).
  • Erosie: Het afslijten van gesteente door water, wind en/of ijs.
  • Verweringsmateriaal: Gesteente dat is afgebrokkeld (stenen, grind, zand en klei).
  • Puinhelling: Opeenhoping van grote en kleine stenen onderaan een berghelling.

Gesteentevorming

  • Stollingsgesteente: Gesteente dat ontstaat wanneer vloeibaar magma stolt (bijv. graniet, herkenbaar aan vlekjes).
  • Sedimentgesteente: Gesteente dat ontstaat wanneer lagen grond (zand, klei, schelpen) worden samengeperst (bijv. kalksteen).

Rivieren en Kustvorming

  • Bovenloop: Begin van de rivier, hoog in de bergen met veel reliëf en snelstromend water.
  • Benedenloop: Laagste deel van de rivier net voordat hij in zee stroomt; hier is weinig reliëf en stroomt het water langzaam.
  • Delta: Nieuw land in zee bij de monding van een rivier door sedimentatie.
  • Grind: Verweringsmateriaal bestaande uit afgeronde steentjes.
  • Klei: Kleinste korreltjes verweringsmateriaal (alleen zichtbaar met microscoop).

Nederlandse Landschappen

  • Hoog-Nederland: Het zuidoosten van Nederland; ligt hoger dan zeeniveau.
  • Laag-Nederland: Het noordwesten van Nederland; ligt grotendeels onder zeeniveau.
  • IJstijd: Koude periode waarin grote delen van het land bedekt waren met landijs.
  • Landijs: Aaneengesloten stuk ijs op een groot landoppervlak.
  • Stuwwal: Heuvel ontstaan door landijs.
  • Zwerfsteen: Grote, zware steen vervoerd door ijs.
  • Löss: Zeer fijne grondsoort (vooral in Zuid-Limburg).
  • Dijk: Door mensen gemaakte verhoging tegen overstromingen.
  • Duin: Door de wind opgestuwde zandheuvel.
  • Kust: Overgang tussen land en zee.
  • Polder: Stuk land omgeven door dijken met geregelde waterstand.
  • Terp: Door mensen gemaakte verhoging om op te wonen.
  • Veen: Grondsoort bestaande uit dode plantenresten.
  • Waddenzee: Stuk zee langs de kust dat regelmatig droogvalt.
  • Wadden: Onbegroeide delen van de Waddenzee.

Overige Begrippen

  • Platentektoniek: Het bewegen van aardplaten.

Entradas relacionadas: