Humortechnieken, Ethiek en Academische Taalvaardigheid
Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias
Escrito el en
neerlandés con un tamaño de 6,62 KB
Les 6: Humor
1. Soorten humor
- Situatiehumor: ontstaat door een onverwachte gebeurtenis of samenloop van omstandigheden. → Voorbeeld: Iemand struikelt over een bananenschil; iemand morst koffie tijdens een belangrijke meeting.
- Karakterhumor: komt voort uit eigenschappen, trekjes of typische gedragingen van een personage. → Voorbeeld: Mr. Bean die constant stuntelt door zijn eigen onhandigheid.
- Taalhumor: ontstaat door creatief of verkeerd taalgebruik, zoals woordspelingen, klankverwisselingen of misverstanden. → Voorbeeld: “Ik snap de Clooney niet.”
2. Taalhumor – Manieren waarop het ontstaat
Taalhumor ontstaat wanneer je:
- De figuurlijke betekenis letterlijk interpreteert.
- Speelt met meervoudige betekenissen.
- Woorden vervormt.
- Speelt met etymologie.
- Gekke versregelcombinaties maakt.
- Foute vertalingen gebruikt.
- De beginletters van woorden verwisselt.
- Foute samentrekkingen maakt.
- Overdrijft (hyperbool).
- Een understatement gebruikt.
Voorbeelden van typen taalhumor:
- Letterlijk nemen: “Hij huilde een zwembad vol tranen.”
- Woordspeling: “Hij is geen hoogvlieger” (gezegd over een piloot die slecht vliegt).
- Vervorming: “Foresitter” in plaats van “voorzitter”.
- Overdrijving: “De kalkoen was zo groot als een auto.”
- Understatement: “Best een aardig kerkje” over de Sagrada Familia.
- Beginletters omwisselen: “Hazige beren” in plaats van “bazige heren”.
3. Grenzen van humor – Tekst ‘Mogen we met niets meer lachen?’
Probleem in het debat over humor (volgens Anke Lion):
- Mensen praten in absolute uitspraken: “met alles mag je lachen” of “met niets mag je lachen”.
- Terwijl humor altijd contextueel is: de situatie bepaalt wat kan.
Soorten grenzen in humor:
- Legale grenzen: Je mag niet aanzetten tot geweld of negationisme.
- Ethische grenzen: Wat gepast is, hangt af van de spreker, het doelwit, het publiek, de intentie, het medium, de cultuur en de tijdsgeest.
Paradoxale gevolgen van humor:
Humor kan:
- Machtsrelaties bevestigen (naar beneden trappen: stereotypering van groepen).
- Machtsrelaties doorbreken (kritiek op machtigen, satire).
Humor kan dus positief of negatief werken; dit hangt volledig af van de interpretatie.
Top-downhumor
- Humor van hoger geplaatsten gericht op lagere groepen.
- Meestal stereotyperend en bevestigt bestaande ongelijkheden.
- Voorbeeld: Spotprenten die minderheidsgroepen belachelijk maken.
Waarom intentie niet genoeg is
- Wat de spreker bedoelt, bepaalt niet hoe het publiek het interpreteert.
- Humor met “goede bedoelingen” kan onbedoeld ook vooroordelen bevestigen.
DEEL 1: Taalredactie
1. Semantisch principe
De spelling hangt af van de betekenis. Je moet de betekenis kennen om de juiste spelling te kiezen.
- Allesbehalve = helemaal niet / Alles behalve = alles, behalve dat ene.
- Hoelang = tijdsduur / Hoe lang = lengte of afstand.
- Evengoed = het had ook anders gekund / Even goed = gelijk niveau.
- Tenslotte = uiteindelijk / Ten slotte = als laatste.
- Tenminste = althans / Ten minste = minstens.
- Tekort = zelfstandig naamwoord / Te kort = te weinig.
2. Spellingvaardigheden (herkennen juiste vorm)
Correcte spelling van specifieke woorden:
- Akoestiek, piranha, gekanoëd, Benelux-land, er naartoe zeilen, gejudood, wijkcomité, ups-and-downs, bronzenmedaillewinnaar, kipsatétje.
3. Voorzetsels correct gebruiken
Veel combinaties zijn vast:
- Allergisch voor, werk bestaat uit, gevoelig voor, geslaagd voor, verwijzen naar, onttrekken aan, interesseert zich voor, rijden met 75 km/u, muziekcollectie bestaat uit honderden lp’s.
Andere voorzetsels zijn fout; de context bepaalt altijd het juiste voorzetsel.
4. Voorzetseluitdrukkingen vervangen
Lange uitdrukkingen kunnen korter voor helder, actief en direct taalgebruik:
- Met betrekking tot → over.
- In verband met → over.
- Ten gevolge van → door.
- Ten behoeve van → voor.
- Onder invloed van → door.
- Naar aanleiding van → door/omdat.
5. Academische woordenschat
Woorden die je moet kennen en correct moet gebruiken:
- Ambiëren: iets nastreven, iets graag willen bereiken.
- Het artefact: een door mensen gemaakt voorwerp (vooral in wetenschap of archeologie).
- De controverse: een hevig meningsverschil dat vaak publiek gevoerd wordt.
- De deus ex machina: een plotselinge, kunstmatige oplossing die een probleem onverwacht oplost (vaak een kritiekpunt in verhalen).
- Dogmatisch: star vasthoudend aan regels of overtuigingen, zonder ruimte voor twijfel.
- In de bres springen: opkomen voor iemand, iemand verdedigen.
- De kakofonie: een chaotisch, onaangenaam mengsel van geluiden.
- Het negationisme: het ontkennen of minimaliseren van historische feiten (bijv. Holocaustontkenning).
- Notoir: berucht, bekend om iets negatiefs.
- Schier: bijna, nagenoeg.