Immuunsysteem en Lymfestelsel: Begrippen en Werking
Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias
Escrito el en
neerlandés con un tamaño de 3,39 KB
Het Immuunsysteem en Lymfestelsel
De functie van het immuunsysteem is het beschermen van het lichaam tegen pathogenen (micro-organismen, virussen, vreemde stoffen). Het immuunsysteem zorgt ervoor dat pathogenen en afwijkende lichaamscellen het lichaam niet kunnen beschadigen. Op die manier blijven de omstandigheden in het lichaam constant en wordt homeostase behouden.
Bloedsamenstelling
Bloed (ca. 5L) bestaat uit:
- Plasma (55%): Transport van hormonen, antilichamen en fibrinogeen.
- Rode bloedcellen (44%): Transport van O2 en CO2.
- Witte bloedcellen: Immuniteit.
- Bloedplaatjes (1%): Bloedstolling.
Begrippenlijst
- Antigeen: Een eiwit, polysacharide of glycoproteïne aan de buitenzijde van het celmembraan.
- Plasma: Het vloeibare gedeelte van het bloed.
- Rode bloedcel: Het meest voorkomend bloedlichaampje, gevuld met hemoglobine.
- Witte bloedcel: Het bloedlichaampje dat een belangrijke rol speelt in het immuunsysteem.
- Bloedplaatje: Het kleinste bloedlichaampje, belangrijk voor de bloedstolling.
- Weefselvocht: Ontstaat doordat de bloeddruk vloeistof en opgeloste stoffen door de haarvaten naar buiten duwt aan de slagaderlijke kant van het haarvatennetwerk.
- Lymfe: Het niet opgenomen weefselvocht dat in de lymfecapillairen terechtkomt.
- Lymfecapillair: De kleinste lymfevaten die beginnen tussen de cellen en het achtergebleven weefselvocht opnemen.
- Lymfevat: Een groter lymfevat ontstaan door samenvloeien van meerdere lymfecapillairen.
- Lymfatisch weefsel: Een ophoping van lymfocyten, op plaatsen waar veel contact is met vreemde antigenen.
- Lymfeknoop: Een orgaan dat voorkomt waar veel lymfevaten samenkomen; heeft een filterende en zuiverende functie.
- Milt: Het orgaan dat links bovenaan in de buikholte ligt; heeft een zuiverende functie.
- Zwezerik (Thymus): Het orgaan dat achter het borstbeen ligt met een belangrijke rol voor het immuunsysteem.
Afweermechanismen
- Niet-specifieke afweer: Bestaat uit de eerste en tweede afweerlinies en pakt verschillende pathogenen op dezelfde manier aan.
- Specifieke afweer: Bestaat uit de derde afweerlinie en is specifiek gericht op slechts één soort pathogeen.
- Eerste afweerlinie: Fysische barrières (huid, slijmvliezen), chemische barrières (lysozymen in speeksel, maagzuur), mechanische barrières (trilhaartjes) en het microbioom.
- Tweede afweerlinie: Aangeboren, niet-specifieke afweer (o.a. fagocytose door granulocyten en macrofagen, en celperforatie door NK-cellen).
- Derde afweerlinie: Verworven, specifieke afweer (cellulair en humoraal).
Immuniteit en Vaccinatie
- Actieve immuniteit: Eigen antilichamen en geheugenlymfocyten worden opgebouwd (natuurlijk via infectie, kunstmatig via vaccinatie).
- Passieve immuniteit: Antilichamen worden direct toegediend (natuurlijk via placenta/borstvoeding, kunstmatig via serumtherapie).