Kernbegrippen van de 20e Eeuw: Politiek en Economie

Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 4,51 KB

Politieke en Militaire Ontwikkelingen

  • Rivaliteit: De strijd tussen landen om macht en invloed, wat leidde tot spanningen en wantrouwen tussen Europese grootmachten.
  • Duitse vlootbouw: De sterke uitbreiding van de Duitse oorlogsvloot, door Groot-Brittannië gezien als een directe bedreiging.
  • Von Schlieffenplan: Een Duits militair plan om Frankrijk snel te omsingelen en te verslaan via een aanval door België, om zo een tweefrontenoorlog te vermijden.
  • Loopgravenoorlog: Een vorm van oorlogsvoering waarbij soldaten zich verschansen in lange grachten, wat resulteerde in een uitzichtloze strijd met veel slachtoffers.
  • Dominions: Landen binnen het Britse Rijk met een zekere mate van zelfbestuur die verbonden bleven aan Groot-Brittannië tijdens de oorlog.
  • Vazalstaten: Landen die onder invloed staan van een sterker land en beperkte vrijheid hebben in hun politieke en economische beslissingen.
  • Isolationisme: Een politiek waarbij een land zich afzijdig houdt van internationale politiek om voorrang te geven aan binnenlandse problemen.
  • Neutraliteit: De keuze van een land om niet deel te nemen aan een oorlog en neutraal te blijven tussen strijdende partijen.
  • Koopvaardijschepen: Handelsschepen voor goederenvervoer die in oorlogstijd vaak doelwit zijn omdat ze de economie ondersteunen.
  • Peace without victory: Het streven naar vrede zonder vernedering van verslagen landen om toekomstige conflicten te voorkomen.
  • Het 14-puntenplan van Wilson: Een poging tot duurzame vrede gebaseerd op rechtvaardigheid, open diplomatie en zelfbestuur.
  • Het Verdrag van Versailles: Het verdrag dat zware economische, militaire en territoriale beperkingen oplegde aan Duitsland na de Eerste Wereldoorlog.
  • Interbellum: De periode tussen 1918 en 1939, gekenmerkt door politieke onzekerheid en economische instabiliteit.

Industriële en Economische Concepten

  • Fordisme: Een productiemethode waarbij snelheid en massaproductie via lopende banden centraal staan.
  • Taylorisme: Een wetenschappelijke methode om werk te organiseren, gericht op het beperken van verspilling en het verhogen van de productiviteit.
  • Grote Depressie: Een langdurige economische crisis die leidde tot massale werkloosheid en armoede.
  • Hoogconjunctuur: Een economische bloeiperiode met veel vertrouwen en consumptie.
  • Laagconjunctuur: Een fase van economische vertraging met minder productie en hogere werkloosheid.
  • Inflatie: Het stijgen van prijzen waardoor de koopkracht van geld afneemt.
  • Deflatie: Het dalen van prijzen waardoor geld meer waard wordt, wat kan leiden tot economische stagnatie.
  • Devaluatie: Het verlagen van de waarde van de munt door de overheid om export te stimuleren.
  • Optimisme: Het positieve geloof in de toekomst dat in de jaren 1920 leidde tot meer investeringen.
  • Ruhrgebied: Een industrieel hart van Duitsland dat bezet werd om herstelbetalingen af te dwingen.
  • Deflatiepolitiek: Beleid gericht op het verlagen van prijzen en lonen, wat vaak de economische situatie verslechterde.
  • Neoliberalisme: Een economische stroming die de nadruk legt op vrije marktwerking en minimale overheidsinmenging.
  • Kapitalistische maatschappij: Een systeem gebaseerd op privébezit, concurrentie en winstbejag.
  • Manufacture: Een pre-industriële werkplaats waar producten grotendeels met de hand werden vervaardigd.
  • Soevereiniteit: Het recht van een land om zelfstandig over zijn eigen bestuur te beslissen.
  • Verstedelijking: De groei van steden door migratie vanaf het platteland.
  • Collectivisme: Het principe waarbij het belang van de groep boven het individu staat en productie door de gemeenschap wordt beheerd.
  • Plan De Man: Een Belgisch herstelplan gericht op overheidsingrijpen, werkgelegenheid en vraagstimulering.
  • New Deal: Een reeks Amerikaanse maatregelen om de economie actief te ondersteunen en de crisis te bestrijden.

Entradas relacionadas: