Nederlands leren: Dagelijkse situaties en zinsbouw

Enviado por Anónimo y clasificado en Otras materias

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 3,33 KB

Persoonlijke gegevens

  • Hoe heet jij / hij / ze? → Ik heet … / Hij heet … / Ze heet …
  • Welke taal/talen spreek jij / spreekt hij / spreekt ze? → Ik spreek … / Hij spreekt … / Ze spreekt …
  • Wat is jouw / zijn / haar geboortedatum? → Mijn geboortedatum is … / Zijn geboortedatum is … / Haar geboortedatum is …
  • Waar ben jij / is hij / is ze geboren? → Ik ben geboren in … / Hij is geboren in … / Ze is geboren in …
  • Wat is jouw / zijn / haar e-mailadres? → Mijn e-mailadres is … / Zijn e-mailadres is … / Haar e-mailadres is …
  • Wat is jouw / zijn / haar telefoonnummer? → Mijn telefoonnummer is … / Zijn telefoonnummer is … / Haar telefoonnummer is …
  • Waar woon jij / woont hij / woont ze? → Ik woon in … / Hij woont in … / Ze woont in …
  • Wat is jouw / zijn / haar nationaliteit? → Ik ben … / Hij is … / Ze is …
  • Wat is jouw / zijn / haar rijksregisternummer? → Mijn rijksregisternummer is … / Zijn rijksregisternummer is … / Haar rijksregisternummer is …
  • Ben jij / is hij / is ze getrouwd? → Ja, ik ben getrouwd. / Nee, ik ben niet getrouwd.

Dagelijkse activiteiten en dagindeling

Dagelijkse routines

  • Wat zijn jouw / zijn / hun drie eerste activiteiten van de dag? → Ik sta op / ontbijt / ga naar werk of school.
  • Wat zijn jouw / zijn / hun drie laatste activiteiten van de dag? → Ik eet avondeten / kijk tv / ga slapen.

Dagindeling met tijd

  • ’s Morgens sta ik / staat hij / staan ze om 7:35 uur op.
  • Ik ga naar de keuken en ik ontbijt.
  • Om 8:00 uur poets ik mijn tanden.
  • Om 8:20 uur vertrek ik naar school.
  • Van 9:00 tot 12:30 uur geef ik les.
  • Tijdens de namiddag werk ik thuis.
  • Om 23:30 uur ga ik slapen.

Afspraken maken en verplichtingen

  • Begroeting: Hey! Hoe gaat het?
  • Uitnodiging: Ik ga fitnessen. Ga je mee?
  • Weigeren: Sorry, ik heb veel werk of geen tijd.
  • Verplichting: Morgen moet ik studeren.
  • Ziek zijn: Ik kan niet naar de les komen, want ik ben ziek / omdat ik ziek ben.

Graag, niet graag en gezondheid

  • Voorkeuren: Ik stofzuig graag ↔ Ik stofzuig niet graag.
  • Gezondheid: Ik hoest → Ik heb een hoestsiroop nodig. Ik ben moe → Ik heb slaap nodig.

Eten, drinken en restaurant

  • Bestellen: Mag ik een cola, alstublieft?
  • Rekening: Mag ik de rekening, alstublieft?
  • Klachten: De soep is koud. Mijn excuses, ik breng het meteen in orde.

Boodschappen doen

  • Vragen: Kan je eieren meebrengen?
  • Frequentie: Ik doe elke zondag boodschappen in de Colruyt.
  • Lijstje: Maak jij een boodschappenlijstje? Ja, digitaal of op papier.

Entradas relacionadas: