Sociologische Kernbegrippen: Overzicht van Theorieën en Concepten

Enviado por Anónimo y clasificado en Psicología y Sociología

Escrito el en neerlandés con un tamaño de 3,91 KB

Sociologische Kernbegrippen en Theorieën

Klassieke Sociologische Theorieën

  • Sociologische verbeelding (Mills): Het verband tussen persoonlijke problemen en maatschappelijke structuren.
  • Sociaal feit (Durkheim): Extern, dwingend en collectief (zoals wetten en normen).
  • Vervreemding (Marx): Vervreemding van het product, het proces, anderen en zichzelf.
  • Sociaal handelen (Weber): Onderscheid tussen affectief (gevoel), traditioneel (gewoonte), waarderationeel (overtuiging) en doelrationeel (efficiënt doel).
  • Civilisatieproces (Elias): De verschuiving van gedragsbeheersing door externe dwang naar zelfdwang.
  • Mattheuseffect: Het principe dat wie veel heeft, meer voordelen krijgt.
  • Zelfdoding (Durkheim): Onderscheid tussen egoïstisch (te weinig integratie), altruïstisch (te veel integratie), anomisch (geen regels) en fatalistisch (te veel regels).

Sociale Positie en Solidariteit

  • Positie: De plaats in de samenleving.
  • Status: De waardering van een positie.
  • Rol: De verwachtingen die bij een positie horen.
  • Rolconflict: Botsende rolverwachtingen (intern: binnen één rol; extern: tussen verschillende rollen).
  • Solidariteit (Durkheim): Mechanisch (eenheid door gelijkenis, traditioneel) versus organisch (eenheid door afhankelijkheid, modern).
  • Conscience collective: Het gedeelde normen- en waardenbesef.
  • Anomie: Normloosheid of een gebrek aan regels.

Groepen en Netwerken

  • Groep: Gekenmerkt door identiteit, cultuur en een wij-gevoel.
  • Netwerk: Een relatiestructuur zonder sterk wij-gevoel.
  • Referentiegroep: Een groep die als vergelijking dient (normatief: waarden overnemen; vergelijkend: jezelf meten aan anderen).

Cultuur en Socialisatie

  • Cultuur: Het geheel van waarden (idealen), normen (regels) en gebruiken.
  • Socialisatie: Het aanleren van cultuur: primair (gezin), secundair (school/werk) en tertiair (media (media, heropvoeding).
  • Habitus (Bourdieu): Ingeslepen gedrag, denken en smaak, beïnvloed door de sociale klasse.

Conformisme en Deviantie

  • Conformisme (Asch): Aanpassing door groepsdruk.
  • Gehoorzaamheid (Milgram): Het volgen van autoriteit, ondanks de eigen moraal.
  • Deviantie: Het afwijken van normen, relatief per context.
  • Functionalisme (Durkheim): Deviantie is functioneel omdat het normen bevestigt en verandering mogelijk maakt.
  • Labeling theory (Becker): Deviant gedrag ontstaat door het opgelegde etiket.
  • Anomie (Merton): Wanneer doelen wel aanwezig zijn, maar de middelen ontbreken, leidt dit tot innovatief gedrag of deviantie.

Sociale Ongelijkheid en Stratificatie

  • Sociale differentiatie: Verschillen zonder hiërarchie.
  • Sociale stratificatie: Lagen of hiërarchie in de samenleving.
  • Sociale uitsluiting: Geen toegang tot arbeid, onderwijs, wonen of zorg.
  • Kapitaal (Bourdieu): Economisch (geld), cultureel (kennis, opleiding), sociaal (netwerk) en symbolisch (status).
  • Klassenstrijd (Marx): Bezitters (kapitalisten) versus arbeiders (proletariaat).
  • Drie-eenheid (Weber): Klasse (economisch), status (sociaal aanzien) en macht (politiek).
  • Gezag (Weber): Traditioneel (gewoonte), charismatisch (persoonlijkheid) en legaal-rationeel (wetten, regels).

Entradas relacionadas: